
Palingen zijn ongeveer tien jaar oud voordat zij veranderen in schieralen en naar de paaigronden trekken. Vanuit Zeeland zwemmen zij 5.000 kilometer om deze paaigronden te bereiken. De paaigronden bevinden zich namelijk in de Sargassozee in de Atlantische Oceaan. De exacte plaats is nog altijd niet bekend. Eenmaal daar aangekomen planten zij zich voort. De jonge larven laten zich vervolgens met de golfstroom meevoeren naar Europa en Afrika. Onderweg veranderen de larven in glasaal. Ze zijn dan doorzichtig en ongeveer 10 centimeter lang. Om te volgroeien trekt glasaal naar brak of zoet water. Hierbij stuit de glasaal dan vaak op onoverwinbare kunstwerken (zoals gemalen en stuwen) die zijn aangelegd om ons droge voeten te geven. Daarom helpen we de glasaal om onze brakke en zoete binnenwateren te bereiken. Bekijk de cycles van de paling (pdf) .
Aalgoten zijn goten die op, of in de glooiing van een dijk zijn aangelegd. Deze zijn voorzien van een substraat (meestal een kokosmat of borstels), waardoor de glasaal zichzelf naar boven kan werken. Over de mat stroomt water dat aan de binnenkant van de dijk is opgepompt, zodat de glasaal de weg weet te vinden naar de polder. Dit zoetere water lokt de glasaal naar de goot toe. Eenmaal boven aangekomen, wordt de glasaal opgevangen in een korf. Medewerkers van het waterschap legen regelmatig de korven, tellen de glasaal en zetten de glasaal binnendijks uit. De aantallen glasaal houden we nauwkeurig bij. Doordat deze gegevens jaarlijks worden verzameld krijgen we steeds beter in beeld hoeveel jonge aal de Zeeuwse Delta bezoekt.
In Zeeland gebruiken we vier aalgoten:
Aalgoten voorzien helaas alleen in de intrek van glasaal en niet in de uittrek van de schieraal. Bovendien is de aalgoot niet geschikt voor andere vissoorten. Daarom legt waterschap Scheldestromen niet zo snel meer een nieuwe aalgoot aan, maar gaat de voorkeur uit naar een vispassages waarbij de migratie twee richtingen op kan en geschikt is voor meer vissoorten.